Voorschotbenadering:
werkvormen en materialen voor groep 2 (en 3)
De materialen en werkvormen van de serie Voorlopertje van Taal in Blokjes kunnen ingezet worden worden voor de voorschotbenadering, vanaf de tweede helft van groep 2. De serie Voorlopertje kan leerlingen die moeite hebben met de taalvaardigheden van de beginnende geletterdheid ondersteunen. Daarbij kan de serie Voorlopertje ook leerlingen ondersteunen die met lezen en spellen zijn vastgelopen in de eerste helft van groep 3.
Serie Voorlopertje en Werkvormen
1. Serie Voorlopertje inzetten
De serie ‘Voorlopertje’ bestaat uit een werkboek met bijbehorende klankteken kaartjes, een letterlijn en een poster. De letters (klanken) worden geleerd met kapstokwoorden en foto’s.
In groep 2 worden al ‘risico’ leerlingen gesignaleerd die moeite hebben met de beginnende geletterdheid. De leerkracht vraagt zich af of zij het tempo van aanvankelijk lezen en spellen in groep 3 aankunnen. Deze leerlingen kunnen aan de slag met het werkboek en de andere materialen van de serie ‘Voorlopertje’.
Bij de Cito test van januari groep 3 worden leerlingen gesignaleerd die een forse uitval vertonen met lezen, zij kunnen het tempo van de taalmethode van groep 3 niet bijbenen. Deze uitval heeft de leerkracht vaak al in groep 2 zien aankomen.
Voor de gesignaleerde leerlingen in groep 2 en 3 die moeite hebben met het aanvankelijk lezen en de klank-teken koppeling kan je de serie Voorlopertje van Taal in Blokjes preventief en proactief inzetten.
Met de serie Voorlopertje maak je woorden concreet en tastbaar voor de leerling, je geeft auditieve, visuele en motorische ondersteuning bij het proces van lezen en spellen.
Als leerlingen het werkboek Voorlopertje in groep 2 hebben doorgewerkt, kan de ondersteuning in groep 3 worden voortgezet met werkboek 1 van Taal in Blokjes (en daarna werkboek 2). Het gekozen werkboek is afhankelijk van het niveau en de mogelijkheden van de leerling.
Als extra ondersteuning kan je in groep 3 starten met het werkboek Voorlopertje en/of met werkboek 1 of 2 van Taal in Blokjes.
2. Werkboek Voorlopertje
Het werkboek Voorlopertje laat de leerlingen op een laagdrempelige manier kennis maken met de basisset klinkers en medeklinkers. Veel opdrachten in dit werkboek kunnen worden gemaakt zonder (volledige) beheersing van de klank-teken koppeling. Bij het werkboek Voorlopertje kunnen leerlingen ook al letters (klanken) met de markeerstiften coderen (kleuren) op visuele herkenning zonder volledige beheersing van de klank-teken koppeling.
Het werkboek geeft een overzicht van de letters of van ‘het taalgereedschap’ waarmee woorden worden gemaakt. Deze basisset met letters vormt ‘een baseline’ van waaruit de leerkracht telkens een aantal letters (klanken) uitkiest om deze uitgebreid te behandelen met verschillende werkvormen. Deze klanken worden dan bijvoorbeeld omcirkeld in het werkboek.
Bij het werkboek Voorlopertje hebben leerlingen gelijk een overzicht van de letters (klanken) die zij moeten leren: de letters die al uitgebreid zijn behandeld en de letters die nog uitgebreid aan bod gaan komen.
Bij het werkboek Voorlopertje (en bij werkboek Taal in Blokjes 1 en 2) hoeven de leerlingen nog niet zelf letters op te schrijven. Zij kunnen in het werkboek werken met de letters en het concept van een geschreven woord begrijpen door woorden te bouwen met de klankblokken.
De leerling kan zijn werkboek Voorlopertje ook later als naslagwerk of als geheugensteuntje gebruiken voor een overzicht van de letters (klanken) die uitgebreid zijn behandeld in de klas. Gebruik na het werkboek ‘Voorlopertje’ werkboek 1 en 2 van Taal in Blokjes.
3. Klank-teken kaartjes met kapstokwoorden en foto’s.
Deze kaartjes horen bij het werkboek Voorlopertje en zijn makkelijker dan de kaartjes met alleen letters door de koppeling van de letter(s) of klank aan een foto (bijvoorbeeld vis) en aan het geschreven woord ‘vis’ in klankblokjes.
De leerling kan zo de letter ‘i’ koppelen aan de ‘i’ in het woord ‘vis’ en gelijk zien hoe het woord ‘vis’ in de klankblokjes wordt geschreven. Zo ziet de leerling hoe je een woord maakt met de letter ‘i’ en hoe je de klankblokjes gebruikt.
4. Letterlijn met kapstokwoorden
De Letterlijn bevat dezelfde klank-teken kaartjes als hierboven maar dan in een groot formaat (1/4 A4).
Hang de Letterlijn met kapstokwoorden op in de klas.
Breid de letterlijn gaandeweg uit met de nieuwe letters als deze behandeld worden. Daardoor wordt de letterlijn steeds langer.
5. Poster van serie Voorlopertje
Hang deze poster aan de muur.
Leg uit dat dit alle letters (klanken) zijn die je nodig hebt voor lezen en schrijven en dat je telkens met een paar letters gaat oefenen totdat alle letters aan de beurt zijn geweest.
Geef met een rondje of post-it aan welke letters je gaat behandelen.
Vink de letters af die al aan de beurt zijn geweest. Herhaal regelmatig de geleerde letters.
6. Klankblokken en markeerstiften
Bij het werkboek Voorlopertje heb je klankblokken en markeerstiften nodig.
Met de klankblokken kunnen de leerlingen leren hoe woorden in elkaar zitten en al woorden “schrijven” (bouwen) zonder ook maar één letter op papier te zetten!
Laat je leerlingen woorden uit het werkboek Voorlopertje bouwen met de klankblokken. En natuurlijk ook de woorden bouwen met de in de klas geoefende letters (klanken)!
Print de woorden in grote letters uit op een blaadje en laat je leerlingen deze woorden coderen (kleuren). Gebruik hiervoor de markeerstiften, zie onder. Vervolgens bouwen de leerlingen de woorden met de klankblokken.
Stap 1: laat de klanken van de woorden kleuren.
Stap 2: laat deze woorden bouwen met de klankblokken (met het gecodeerde blaadje als voorbeeld). De leerling zegt de klanken hardop bij het blokken. Als het blokwoord klaar is, wijst de leerling de blokjes aan met zijn vinger en benoemt hij bij elk blokje de bijbehorende klank. Tot slot maakt de leerling een veegbeweging over het blokwoord van links naar rechts en benoemt hij het hele woord.
Bied de gele blokjes (aa,ee,oo,uu) en de rode blokjes (ei,oe,ui…) in groep 2 altijd aan met twee blokjes aan elkaar. Doe een plakbandje om twee gele of rode blokjes.
Gebruik de markeerstiften voor het coderen van de letters (klanken) van de woorden van het werkboek Voorlopertje. De markeerstiften accentueren de letters. Gebruik geen kleurpotloden deze dekken de letters af.
Leerlingen kunnen zo werken aan de letterherkenning en aan de soorten letters (korte klanken, lange klanken, twee-teken klanken en medeklinkers).
Gebruik de A4 klankkaart 1+2 als voorbeeld voor op tafel en hang een poster van de serie Voorlopertje op aan de muur.
7. Klank-teken koppeling en analyse en synthese oefeningen
Gebruik eerst de Klank-teken kaartjes met letters, foto’s en kapstokwoorden om de letters te flitsen die al behandeld zijn.
Stap daarna over op de klank-teken kaartjes waar alleen de gekleurde letters op staan en gebruik kant B van de Letterlijn.
Letterlijn
Na de kaarten met letters (klanken) met kapstokwoorden en foto’s, gebruikt je de kaarten met alleen letters op een gekleurde achtergrond. Draai de Letterlijn om. De Letterlijn is tweezijdig: kant A heeft kapstokwoorden en foto’s, kant B heeft letters op een gekleurde achtergrond. Hang de Letterlijn op in de klas. Breid de letterlijn gaandeweg uit met nieuwe letters als deze behandeld worden. Daardoor wordt de letterlijn steeds langer.
Analyse en synthese met sorteerbakjes op kleur
‘Oefen de analyse en synthese van woorden (‘hakken en plakken’) met klankblokken en sorteerbakjes op kleur.
Gebruik gekleurde bakjes of bijvoorbeeld kasteelemmers (zie afbeelding, deze hebben de vorm van een blokje) voor de klank sorteeroefeningen en de analyse en synthese (hak en plak) oefeningen. Deze oefening kan je heel goed in groepjes doen.
Zeg een woord, bijvoorbeeld ’tak’, hak het woord in losse klanken ’t-a-k’ en voeg het woord weer aan elkaar: ’tak’. Laat de leerlingen de goede blokjes van ’tak’ in de goede volgorde in de gekleurde bakjes leggen. Bij het volgende woord mogen de leerlingen zelf hakken en plakken!
Klankenbingo voor het oefenen van de klank-teken koppeling
Oefen de klank-teken koppeling met het spel Klankenbingo als alle letters (klanken) aan bod zin gekomen.
Met Klankenbingo kunnen leerlingen in de klas of in een groepje op een speelse en intensieve manier oefenen met de klank-teken koppeling en de eerste woordjes.
Gebruik Klankenbingo bijvoorbeeld bij het Voorlopertje Taal in Blokjes en bij de werkboeken van Taal in Blokjes deel 1 en 2 (en 3).
8. Springplein voor de analyse van woorden in klanken en klankgroepen
Met het Springplein van Taal in Blokjes oefent de leerling de analyse van het woord in klanken en klankgroepen. Gebruik het Springplein op tafel met de letters boven.
Als afwisseling kunnen leerlingen buiten ook de klanken van een woord op de grond springen in gekleurde hoepels.Bijvoorbeeld bij het woord “tak” springt de leerling in de blauwe hoepel en zegt “t”, daarna springt de leerling in de groene hoepel en zegt “a” en daarna springt de leerling weer in de blauwe hoepel en hij zegt “k”.
9. Serie Voorlopertje voor Nieuwkomers
Voor Nieuwkomers is de serie Voorlopertje ook een goede aanpak om kennis te maken met de Nederlandse taal. Na het Voorlopertje kan je de Taal in Blokjes Reader software inzetten, schakel daarbij een voorleesstem in.
Het meelezen van voorgelezen en op klank gecodeerde woorden is een effectieve manier om de klank-teken koppeling te versterken en om te begrijpen hoe Nederlandse woorden in elkaar zitten. Ook de uitspraak kan hierdoor verbeteren.
Materialen en software
Materialen
- Serie Voorlopertje met: werkboek Voorlopertje, poster, letterlijn en klank-teken kaartjes
- klankblokken (blokbox)
- markeerstiften
- klankkaart 1+2 op A4 formaat (hier passen de klankblokken op)
- klankenbingo
- woordbouwkaartjes (vierkant, plastic)
Software
- Taal in Blokjes Module software (met o.a. woordlezen, klank-teken koppeling, basisvaardigheden en het ‘sprekende’klankenbord).
- Taal in Blokjes Reader software (met het gebruik van een voorleesstem bij Nieuwkomers).
En verder:
- gekleurde emmertjes of bakjes in de kleur van de klankblokken.
- springpleinen: op tafel met de letters of op de grond met alleen kleurvlakken (gebruik hiervoor gekleurde hoepels of maak ‘springvakken’ met gekleurd tape).
Extra werkvormen
Sorteeroefening en woorden bouwen
Doe dit met de Klank-teken kaartjes met letters, foto’s en kapstokwoorden.
Voorbeeld met het kaartje ‘aa’ van aap.
Bij het kaartje ‘aap’ zeg je: ‘aap’, ‘aa-p’ je laat dit precies zo nazeggen en je vraagt:
- Kan jij de blokjes van ‘aap’ in de goede emmertjes (of bakjes) leggen? Neem emmertjes of bakjes in de kleuren geel, groen, rood en blauw (geen roze in plaats van rood).
Goed zo! (de leerling kan gewoon op het kaartje kijken, succes is gegarandeerd) …en dan: - We gaan nu het woord ‘aap’ bouwen met de blokjes. Kan jij nu de blokjes van ‘aap’ (in de goede volgorde) uit de bakjes pakken en bij elk blokje de klank zeggen? en daarna het woord maken? (geef zo nodig hulp).Bij aap: de leerling pakt twee gele blokjes (aan elkaar geplakt) uit het gele bakje, zegt ‘aa’ en legt twee gele blokjes op tafel. De leerling pakt daarna een blauw blokje uit het bakje en zegt ‘p’ en legt het blauwe blokje op tafel naast het gele paar. De leerling zegt het woord klank voor klank en pakt simultaan bij elke uitgesproken klank het bijbehorende blokje.
- De leerling schuift de blokjes aan elkaar en zegt ‘aap’, goed zo! de leerling heeft een woord gemaakt!
In plaats van de klank-teken kaartjes kan je ook de grote klank-teken kaarten van de Letterlijn gebruiken.
De Letterlijnkaarten hebben het formaat van 1/4 A4 en zijn tweezijdig. Als je de kaarten van de Letterlijn gebruikt om de klank-teken koppeling te oefenen, kan je de kaarten telkens omdraaien en beide kanten binnen één werkvorm gebruiken. Je flitst de kaarten met kant A van de Letterlijn. Per kaart draai je de kaart om. Als je kant A, het kaartje van de ‘aa’ met de ‘aap’ omdraait, zie je alleen de letter ‘aa’ op een geel vlak (dit is kant B). Je oefent zo de letterherkenning van meer concreet naar abstract.
Letterlijn: oefen eerst met kant A: letter + foto + kapstokwoord en daarna met kant B: alleen de gekleurde letter.
- Vraag bij kant B dan: dit is de ‘aa’ van? antwoord: aap, de leerling kijkt na en draait het kaartje om (‘aa’ met de foto aap) ja het klopt! , het is de ‘aa’ van ‘aap’.
- Draai het kaartje weer op kant B met alleen de letter ‘aa’: weet je het nog? Kan jij de blokjes van aap neerleggen? (laat zo nodig spieken door het kaartje om te draaien op kant a). Goed zo je hebt alweer een woord geschreven!
Klank-teken koppeling en woorden bouwen met Klankkaart 1+2 op A4 formaat.
Op deze kaart (en op kaart 3+4) staan de letters in de 2 D blokjes op ware grootte.
- Benoem de klanken van de kaart, laat de leerling de juiste klanken aanwijzen en de juiste blokjes erop leggen.
- Je kan ook woorden benoemen, zeg bijvoorbeeld ‘kaas’. Zeg eerst het hele woord en dan klank voor klank.
-
- Zeg ‘k’ en laat de leerling de ”k’ aanwijzen op de klankkaart 1+2 en een blauw blokje op de ‘k’ leggen.
- Doe hetzelfde met de ‘aa’ en de ‘s’. Zeg het daarna het hele woord en laat de leerling het woord ‘kaas’ met de blokjes bouwen.
-
- Vraag de leerling om, van links naar rechts, de blokjes van het woord ‘kaas’ aan te wijzen en per blokje (blokjes) de klanken te benoemen. De leerling wijst het eerste blauwe blokje aan en zegt ‘k’, de leerling wijst vervolgens de twee gele blokjes aan en zegt ‘aa’, de leerling wijst het laatste blauwe blokje aan en zegt ‘s’.
Woorden schrijven met de Taal in Blokjes Module software
Leerlingen kunnen ook mkm-woordjes (en hoger) schrijven met het sprekende klankenbord van de Taal in Blokjes Module software.
Bijvoorbeeld: zeg ‘aap’ en laat de leerling aa-p intoetsen op het sprekende klankenbord. Als de leerling twijfelt, zweeft hij met de muis over de letters (klanken). Deze worden dan uitgesproken zodat hij de juiste letter kan kiezen zonder een fout te maken (klanken luisteren en visuele herkenning van de bijbehorende letters = klank-teken koppeling). De leerling hoeft zelf geen letters te schrijven.
Op het gehoor kan de leerling al de goede letter bij de klank kiezen. Er hoeft nog nauwelijks letterkennis aanwezig te zijn. De leerling denkt bijvoorbeeld: ‘aa’ het was een van de gele, maar welke? Als de leerling over de klanken zweeft met de muis op het klankenbord van de software hoort hij: aa, ee, oo, uu. De leerling kan dan een keuze maken (auditieve discriminatie).
Je kan ook voorzeggen: zeg het woord, bijvoorbeeld ‘aap’ en zeg tegen de leerling ‘aa-p’: kijk goed bij de gele en de blauwe toetsen bij het intypen van het woordje aap. Goed zo! Je hebt het woord ‘aap’ opgeschreven!